Wat is LabVIEW?

Een grafisch software systeem, gericht op het aansturen en het uitlezen van meetinstrumenten en op de presentatie en de verwerking van meetgegevens.

Karakteristieken

Onderdelen van een LabVIEW programma (VI)

Editing techniques

Data types ondersteund door LabVIEW

Beslissingen

Door middel van functies die als logische operator gebruikt worden, kunnen beslissingen in de code ingebouwd worden.

Herhalingen

In veel programma's is het noodzakelijk om dezelfde handelingen meerdere malen te verrichten, waarbij bij elke herhaling variabelen andere waarden hebben of kunnen krijgen.

Maken van een sub-VI

Debugging techniques

Arrays

Beslissingen: Case Structure

Een structuur waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen twee of meer "waarden" voor het selectief uitvoeren van code.
Te gebruiken "waarden" NB: Als de waarde van de "Case selector" out of range is, kan de VI als geheel niet uitgevoerd worden. Je moet dan een default frame toevoegen dat in zo'n geval altijd uitgevoerd wordt.

Deze structuur is te vinden in het Functions\Structures subpalette.

Sequence Structure

Soms is het nodig om een bepaalde volgorde van de uitvoering van delen van een programma te forceren. Dit wordt gedaan met de Sequence Structure.

Een Sequence Structure bestaat uit een aantal "frames" die in een bepaalde volgorde achter elkaar zitten en die in die volgorde uitgevoerd worden.

Niet uitgevoerde frames voegen geen "overhead" toe; het enige nadeel is dat de inhoud van slechts één frame tegelijk zichtbaar is.

Formula Node

Een Formula Node is nuttig om formules uit te rekenen in het Block Diagram.

Shift Registers

Shift registers zijn speciale variabelen die worden gebruikt om bepaalde waarden van ene iteratie naar de volgende te transporteren. Ze kunnen alle data types bevatten, d.w.z. getallen, strings, arrays, clusters, file paths, etc.

Een klassiek voorbeeld van een situatie waarin shift registers noodzakelijk zijn, is het berekenen van een "running average": je hebt een signaal met veel ruis en door het running average te bereken, kan je het signaal vloeiender maken.

Een andere voorbeeld is een situatie waarin bepaalde elementen van een array moeten worden geselecteerd en in een apart array gezet.

Local Variables

Locale variabelen maken het mogelijk om hetzelfde object toegankelijk te maken op verschillende plaatsen van het diagram. Daarnaast kan men m.b.v. locale variabelen een object tegelijkertijd als control en als indicator gebruiken.

Een klassiek voorbeeld van het gebruik van locale variabelen is om de controle over twee of meer parallelle lussen te krijgen.

Een andere voorbeeld: men wil de waarde van een control in de loop van de tijd veranderen.

Met locale (en globale) variabelen moet je altijd oppassen voor de zogenaamde "race condition", dat wil zeggen dat je probeert om tegelijkertijd een object te schrijven en hetzelfde object te lezen.

LabVIEW Visual Displays: Charts & Graphs

Strings

Een string is een verzameling van zichtbare en niet zichbare tekens (characters). Strings worden vooral gebruikt voor file I/O, instrument I/O en netwerk communicatie.

String controls en indicators hebben 4 display modes:
*normal display*   "\" code display*   password display   hex display

Meest gebruikte "\" codes:

\b = Backspace (ASCII BS)
\s = Space (ASCII SP)
\r = Return (ASCII CR)
\n = Newline(ASCII LF)
\t = Tab (ASCII HT)
LabVIEW heeft veel functies om strings te behandelen. Deze kunnen in twee grote groepen worden verdeeld: functies om strings te bouwen (samen te voegen) en functies om strings te ontleden in kleinere strings.

File I/O

File I/O functies in LabVIEW worden in drie grote groepen (niveaus) verdeeld: De High-level VIs worden gebruikt voor specifieke doelen, bijvoorbeeld gegevens naar een bestand schrijven of uit een bestand lezen in spreadsheet format. Dat is nuttig als de gegevens in de vorm van een array komen.
In andere gevallen is het verstandig om Intermediate of Advanced file functies te gebruiken want ze bieden meer flexibiliteit.


22 juni 2011, Peter Klok